
Dieselben Zeilen
Im Archiv schlief still ein Buch,
verstaubt von Jahr und Tageslicht.
Ich schlug es auf, mehr aus Gewohnheit,
und suchte nichts als meine Pflicht.
26. März 1882. Dieselbe Tinte. Dieselbe Hand.
Ich las die ersten leisen Zeilen,
wie jede Schrift im Archivbestand.
Dieselben Zeilen. Dieselbe Schrift.
Ich lese weiter. Doch anders trifft.
Nicht weil die Worte anders sind.
Nur weil ich endlich lesen kann.
Im Archiv schlief still ein Buch,
verstaubt von Jahr und Tageslicht.
Ich schlug es auf, mehr aus Gewohnheit,
doch diesmal wich mein Blick ihm nicht.
26. März 1882. Dieselbe Tinte. Dieselbe Hand.
Ich las dieselben leisen Zeilen. Der Spiegel.
Im Spiegel wartete dieselbe Frau.
Dieselben Zeilen. Dieselbe Schrift.
Ich lese weiter. Doch anders trifft.
Nicht weil die Worte anders sind.
Nur weil ich endlich lesen kann.
Im Archiv schlief still ein Buch,
verstaubt von Jahr und Tageslicht.
Ich schlug es auf, mehr aus Gewohnheit.
Doch diesmal las das Buch auch mich.
26. März 1882. Dieselbe Tinte. Dieselbe Hand.
Dieselben Zeilen. Zum ersten Mal las ich mich.
Dieselben Zeilen. Dieselbe Schrift.
Ich lese weiter. Doch anders trifft.
Nicht weil die Worte anders sind.
Nur weil ich endlich lesen kann.
Dieselben Zeilen. Dieselben Zeilen.
Dezelfde regels
In het archief sliep stil een boek,
bedolven onder stof en tijd.
Ik sloeg het open zoals ieder ander stuk
en deed gewoon mijn werk.
26 maart 1882. Dezelfde inkt. Dezelfde hand.
Ik las de eerste, stille regels
zoals ik ieder archiefstuk las.
Dezelfde regels. Hetzelfde schrift.
Ik lees ze weer. Nu raken ze mij anders.
Niet omdat de woorden anders zijn.
Alleen omdat ik ze begin te begrijpen.
In het archief sliep stil een boek,
bedolven onder stof en tijd.
Ik sloeg het open zoals ieder ander stuk,
maar deze keer ging ik niet meteen verder.
26 maart 1882. Dezelfde inkt. Dezelfde hand.
Ik las opnieuw die stille regels. De spiegel.
In de spiegel wachtte dezelfde vrouw.
Dezelfde regels. Hetzelfde schrift.
Ik lees ze weer. Nu raken ze mij anders.
Niet omdat de woorden anders zijn.
Alleen omdat ik nu begrijp wat ik lees.
In het archief sliep stil een boek,
bedolven onder stof en tijd.
Ik sloeg het open zoals ieder ander stuk.
Maar deze keer las het boek ook mij.
26 maart 1882. Dezelfde inkt. Dezelfde hand.
Dezelfde regels. Voor het eerst las ik mijzelf erin.
Dezelfde regels. Hetzelfde schrift.
Ik lees ze weer. Nu raken ze mij anders.
Niet omdat de woorden anders zijn.
Alleen omdat ik eindelijk kan lezen.
Dezelfde regels. Dezelfde regels.
Dezelfde regels, een andere lezer
Wie een boek opnieuw leest, leest nooit helemaal hetzelfde boek. De woorden zijn niet veranderd, maar de lezer neemt mee wat de eerste lezing heeft achtergelaten of binnengebracht.

Qui es-tu ?
Elle m’a demandé d’une voix si légère,
« Qui êtes-vous ? » mais je n’ai rien dit.
Dans le miroir brillait une autre lumière,
un étranger portait mes propres traits trahis.
Qui es-tu, qui vis en moi,
qui me regarde à travers moi ?
Si même l’odeur n’est plus la mienne,
que reste-t-il de ma foi ?
Le taxi riait : « Où voulez-vous rentrer ? »
Les rues dansaient comme un décor changé.
Ma maison semblait soudain m’abandonner,
et mon passé s’effaçait sans danger.
Qui es-tu, qui vis en moi,
qui me regarde à travers moi ?
Si même ma voix n’est plus la mienne,
que reste-t-il de ma foi ?
J’ai retrouvé ma mère dans un vieux manteau,
son parfum doux m’a bercé comme un drapeau,
mais dans l’eau sombre
dormait un autre homme,
un frère muet qui portait mon nom.
Qui es-tu, qui vis en moi,
qui me regarde à travers moi ?
Si même mes rêves s’éloignent à jamais,
Que reste-t-il, quand tout s’en va ?
Wie ben jij?
Ze vroeg me met zachte stem:
“Wie bent u?” Maar ik zei niets.
In de spiegel scheen een ander licht.
Ik zag een vreemde met mijn gezicht; mijn trekken hadden mij verraden.
Wie ben jij, jij die in mij leeft,
jij die door mijn ogen naar mij kijkt?
Als zelfs mijn geur niet meer de mijne is,
wat blijft dan nog over van mijn zelfvertrouwen?
De taxichauffeur lachte: ‘Waar wilt u heen?’
De straten dansten als een veranderd decor.
Mijn eigen huis leek mij opeens te verlaten
en mijn verleden verdween,
Wie ben jij, jij die in mij leeft,
jij die door mijn ogen naar mij kijkt?
Als zelfs mijn stem niet meer de mijne is,
wat blijft dan nog over van mijn zelfvertrouwen?
In een oude jas herkende ik mijn moeder.
Haar zachte geur wiegde mij, zoals de wind een vlag laat bewegen. Maar in het donkere water
sliep een andere man,
een zwijgende broer die mijn naam droeg.
Wie ben jij, jij die in mij leeft,
jij die door mijn ogen naar mij kijkt?
Als zelfs mijn dromen voorgoed verdwijnen,
wat blijft er dan nog over als alles verdwijnt?
Wanneer je gezicht niet meer van jou is
We herkennen onszelf aan ons gezicht, onze stem, geur en de plaatsen die ’thuis’ heten. Maar wat blijft er over wanneer je juist die vertrouwde dingen niet meer herkent?

Brevet
Der stod dit navn uden emnefelt
kun en tom linje på min skærm.
Jeg læste for hurtigt som man læser ild:
“Grønne kuverter, mintgrønne rum,
drenge der ventede med blikket mod gulvet,
kroppe der talte, mens munden tav…“
Du skrev det ned som du huskede det: mintgrønne vægge, et nummer, et blik.
Jeg læste det hele men ikke det skjulte.
Noget blev tilbage da jeg lukkede brevet.
Du skrev om hænder der foldede tøjet
som om omhuen kunne holde alt fast,
en bakke til undertøj, en læge ved et bord,
en stemme der kaldte og skrev uden lyd.
Du skrev det roligt.
Jeg læste langsomt.
Du skrev det ned som du huskede det: mintgrønne vægge, et nummer, et blik.
Jeg læste det hele men ikke det skjulte.
Noget blev tilbage da jeg lukkede brevet.
Vi sad ved vinduet på vores café.
Solen i glasset farvede dit ansigt.
Vi talte om regnen og eksamenerne,
mens brevet sad mellem os og lyttede med.
Du sagde: “Befriende”,
men stilheden blev tungere.
Du skrev.
Jeg læste.
Du huskede.
Jeg huskede.
Hvad gør man når ordene passer
men kroppen husker mere:
et gulv, en bakke, en klokke uden tal,
og et ord der bliver tilbage?
Næste morgen kom endnu en mail.
Igen uden emne.
Du skrev at lettelsen ikke kom med hjem,
at papir kan bære det man husker,
men ikke lugten,
ikke frygten,
ikke hjertet i brystet.
Jeg tog en tom notesbog
og skrev ét ord: Egnet.
Jeg skrev det igen: Egnet.
Og igen.
Jeg ventede på at ordet blev tomt,
men ordet blev.
Egnet.
I dit brev. Egnet.
I mit hoved.
”Egnet”, sagde lægen.
”Egnet”, sagde stilheden.
Brevet er slut men ordet står endnu.
De brief
Daar stond je naam. Geen onderwerp,
alleen een lege regel op mijn scherm.
Ik las te snel, zoals je vlammen leest:
“Groene enveloppen, mintgroene ruimten,
jongens die wachtten met hun blik op de vloer,
lichamen die spraken terwijl de mond zweeg…“
Je schreef het op zoals je het je herinnerde:
mintgroene muren, een nummer, een blik.
Ik las alles, maar niet wat verborgen bleef.
Er bleef iets achter toen ik de brief sloot.
Je schreef over handen die kleding vouwden,
alsof zorgvuldigheid alles bijeen kon houden,
een bak voor ondergoed, een arts aan een tafel,
een stem die riep, een pen die geruisloos schreef.
Je schreef het rustig.
Ik las langzaam.
Je schreef het op zoals je het je herinnerde:
mintgroene muren, een nummer, een blik.
Ik las alles, maar niet wat verborgen bleef.
Er bleef iets achter toen ik de brief sloot.
We zaten bij het raam van ons café.
De zon in het glas kleurde je gezicht.
We spraken over de regen en de tentamens,
terwijl de brief tussen ons zat en meeluisterde.
Je zei: ‘Bevrijdend’,
maar de stilte werd zwaarder.
Jij schreef.
Ik las.
Jij had herinneringen.
Ik had herinneringen.
Wat doe je wanneer de woorden kloppen,
maar het lichaam meer onthoudt:
een vloer, een bak, een klok zonder cijfers
en een woord dat achterblijft?
De volgende ochtend kwam er weer een mail.
Opnieuw zonder onderwerp.
Je schreef dat de opluchting niet was gekomen,
dat papier kan dragen wat je je herinnert,
maar niet de geur,
niet de angst,
niet het bonzen van het hart.
Ik nam een leeg notitieboek
en schreef één woord: Geschikt.
Ik schreef het opnieuw: Geschikt.
En nog eens.
Ik wachtte tot het woord hol zou worden,
maar het woord bleef.
Geschikt.
In jouw brief. Geschikt.
In mijn hoofd.
“Geschikt” , zei de arts.
“Geschikt”, zei de stilte.
De brief is uit, maar het woord staat er nog.
Wat woorden niet kunnen dragen
Een tekst kan beschrijven wat er is gebeurd, maar niet alles dragen wat de ziel heeft onthouden. Soms blijft juist het ongeschreven deel bij de lezer achter.

Ein Kreuz
Ich kannte jeden Flur beim Namen,
jeden Stempel, jedes Licht.
Ordnung war mein stiller Anker,
Pflicht vergaß ihr eigenes Gesicht.
Jeder Strich saß auf der Zeile,
jeder Haken hatte Sinn.
Ich glaubte fest an klare Regeln,
und daran, wer ich einmal bin.
Und Stein wird langsam zu Gewohnheit,
bis kein Weg mehr offen scheint.
Was ich täglich unterschreibe,
hat mich leise selbst verneint.
Ich trage Schlüssel, trage Akten,
trage Worte ohne Klang.
Und ich frage erst seit heute:
War ich frei, oder nur lang Teil vom Gang?
Man zählt Nummern, keine Stimmen,
ordnet Menschen Blatt für Blatt.
Zwischen “richtig” und “erledigt”
wird die Seele langsam matt.
Wenn der Feierabend wartet,
geht der Dienst doch mit nach Haus.
Selbst im Spiegel seh ich Listen,
und ich kenn mich kaum noch aus.
Und Stein wird langsam zu Gewohnheit,
bis kein Weg mehr offen scheint.
Was ich täglich unterschreibe,
hat mich leise selbst verneint.
Ich trage Schlüssel, trage Akten,
trage Worte ohne Klang.
Und ich frage erst seit heute:
War ich frei, oder nur lang Teil vom Gang?
Heute blieb ein Blick nur liegen,
eine Pause ohne Grund.
Nichts geschah und doch zerbrach etwas lautlos in der gleichen Stund’.
Keine Vorschrift konnte sagen,
was ich plötzlich vor mir sah.
Nicht ein Fall, nicht eine Akte,
sondern jemand, der dort war.
Pflicht hat starke Mauern gebaut,
Stein auf Stein in meinem Blick.
Doch kein Mensch passt in ein Kästchen,
keine Unterschrift führt zurück.
Vielleicht war ich nie gefangen
zwischen Türen aus Beton.
Vielleicht wohnte mein Gefängnis
still in mir schon jahrelang.
Morgen geh ich durch dieselben Türen,
doch sie sehen anders aus.
Denn ich weiß: Nicht nur die anderen
finden schwer den Weg nach Haus.
Und vielleicht beginnt die Freiheit
gar nicht draußen vor der Tür.
Sondern dort, wo ich zum ersten Mal
den Menschen seh’… und nicht Papier.
Een kruisje
Ik kende iedere gang bij naam,
iedere stempel, ieder licht.
Orde was mijn stille anker.
De plicht vergat haar eigen gezicht.
Iedere streep stond op de regel,
ieder vinkje had betekenis.
Ik geloofde vast in heldere regels
en in wie ik nu eenmaal ben.
En steen wordt langzaam een gewoonte,
tot geen enkele weg nog open lijkt.
Wat ik iedere dag onderteken,
heeft stilaan ontkend wie ik zelf ben.
Ik draag sleutels, draag dossiers,
draag woorden zonder klank.
En pas vandaag durf ik te vragen: was ik vrij,
of liep ik al die tijd slechts mee door de gang?
Men telt nummers, maar geen stemmen,
ordent mensen blad voor blad.
Tussen ‘correct’ en ‘afgehandeld’
wordt de ziel langzaam moe.
Ook wanneer de werkdag eindigt,
gaat het werk met mij naar huis.
Zelfs in de spiegel zie ik lijsten
en ik herken mezelf nauwelijks nog.
En steen wordt langzaam een gewoonte,
tot geen enkele weg nog open lijkt.
Wat ik iedere dag onderteken,
heeft stilaan ontkend wie ik zelf ben.
Ik draag sleutels, draag dossiers,
draag woorden zonder klank.
En pas vandaag durf ik te vragen: was ik vrij,
of liep ik al die tijd slechts mee door de gang?
Vandaag bleef er één blik hangen,
een stilte zonder duidelijke reden.
Er gebeurde niets, en toch brak er
stilletjes iets op datzelfde moment.
Geen voorschrift kon mij vertellen
wat ik plotseling voor mij zag:
geen geval en geen dossier,
maar een mens die werkelijk voor mij stond.
De plicht heeft sterke muren gebouwd,
steen voor steen in mijn manier van kijken.
Maar geen mens past in een hokje
en geen handtekening kan hem terugbrengen.
Misschien zat ik nooit gevangen
tussen deuren van beton.
Misschien woonde mijn gevangenis
al jarenlang stil in mij.
Morgen loop ik door dezelfde deuren,
maar ze zullen er anders uitzien.
Want ik weet dat ook anderen
maar moeilijk hun weg naar huis terugvinden.
En misschien begint de vrijheid
helemaal niet buiten voor de deur,
maar daar waar ik voor het eerst
de mens zie, en niet het papier.
Wanneer regels bepalen wat je ziet
Regels kunnen houvast bieden, totdat ze bepalen wat je nog kunt zien. Vrijheid begint soms wanneer achter een dossier weer een mens verschijnt… en in de spiegel ook.

Schrift
Ik lig al maanden open
op dezelfde houten tafel.
ik ken de geur van koffie
en van regen in de gang.
Ik draag de keurige zinnen
die de dagen overleven,
maar nooit de stille twijfel
die al die tijd onder je lag.
Professionele nabijheid.
Je legde eerst je hand
nog twijfelend op mijn bladen,
alsof een woord kon breken
als het eenmaal was gezegd.
Je schreef de wereld kleiner
tot ze paste in een kader,
en alles wat nog schuurde,
werd voorzichtig platgelegd.
Reflectief vermogen.
Ik hoorde hoe je ’s avonds
zinnen fluisterde voor spiegels,
hoe ergens achter adem
nog een ander antwoord lag.
Je oefende de waarheid
tot ze veilig kon verdwijnen,
en gaf mij elke ochtend
weer de versie van de dag.
Professionele ruimte.
Ik zag een jongen huilen
onder tafels zonder namen,
ik voelde hoe jouw pen
al wist wat jij nog niet begreep.
Dat kijken soms betekent
dat je eindelijk moet spreken,
ook als de juiste taal
juist het zwijgen heeft geleerd.
Kwaliteitsborging.
Je kreeg voor mooie volzinnen
vriendelijk applaus en achten,
terwijl je eigen stem
steeds zachter in de marge stond.
Ze noemden het volwassen
dat je leerde te verdwijnen,
ik noemde het de winter
die zich langzaam in je vond.
Professionele houding.
En op de laatste ochtend
schreef je zwijgend al mijn bladen
voor het eerst niet langer vol
met keurig afgewogen licht.
Je liet mij leeg achter,
maar eindelijk ook eerlijk.
Soms is een witte bladzij
waarachtiger dan een gedicht.
Geen invoer gevonden.
Sindsdien lig ik te wachten.
Niet op betere woorden.
Niet op mooiere woorden.
Alleen op de eerste zin
waar jij weer in gelooft.
Notebook
I have lain open for months
on the same wooden table.
I know the smell of coffee
and of rain along the corridor.
I carry the polished sentences
that survive from day to day,
but never the quiet doubt
that lay beneath your words all that time.
Professional proximity.
At first, you placed your hand
hesitantly upon my pages,
as though a word might break
once it had been spoken.
You wrote the world smaller
until it fitted within a frame,
and whatever still caused friction
was carefully smoothed away.
Reflective capacity.
I heard you whisper sentences
to the mirror late at night,
heard another answer waiting
somewhere behind your breathing.
You rehearsed the truth
until it could safely disappear,
then every morning gave me
the acceptable version of the day.
Professional boundaries.
I saw a boy crying
beneath tables without names.
I felt your pen already knew
what you did not yet understand:
that sometimes truly seeing
means you finally have to speak,
even when the proper language
has learnt to remain silent.
Quality assurance.
They praised your elegant sentences
and rewarded you with high marks,
while your own voice
grew quieter in the margins.
They called it maturity,
the way you learnt to disappear.
I called it the winter
that slowly found its way inside you.
Professional conduct.
And on the final morning
you wrote silence across all my pages.
For the first time, you no longer filled them
with carefully measured light.
You left me empty,
but at last you left me honest.
Sometimes a blank page
is more truthful than a poem.
No input found.
Since then, I have lain here waiting.
Not for better words.
Not for prettier words.
Only for the first sentence
you can believe in again.
Soms is niets schrijven eerlijker
Een tekst kan laten zien wat iemand denkt of bedoelt, maar ook verbergen wat niet binnen de kaders past.

Tom
Chamava-te Tom. Só a nossa mãe.
Como quem acende a luz antes da noite entrar.
Chamavam-te Tomás. Os homens do papel.
Como quem fecha uma porta sem nunca entrar.
Ó mar, responde tu, se levaste o meu irmão, porque deixaste o seu nome?
Tomás ficou nos livros. Tom ficou comigo.
Quando digo Tom, a porta ainda espera.
Quando digo Tomás, o vento passa, a chávena esfria.
A mesa continua posta. Só a tua cadeira aprendeu o silêncio.
Ó mar, responde tu, se levaste o meu irmão, porque deixaste o seu nome?
Tomás ficou nos livros. Tom ficou comigo.
Vieram perguntar-me: “Qual era o nome verdadeiro?”
Olhei o cais. Nenhum barco responde quando chamam por ele.
Só regressa à voz que conhece.
Eu disse apenas: “Chamem-lhe Tomás; eu espero por Tom.”
A maré sobe. A maré desce.
A minha mãe abre a porta, já ninguém entra. Mas ela espera.
Como o mar. Sem perguntar.
Hoje escrevem Tomás onde antes havia um rosto.
Eu digo Tom e a casa respira.
Se um dia o mar me levar também, não procurem o meu nome.
Chamem por mim como a minha mãe nos chamava aos dois.
Tom
Ze noemde je Tom. Alleen onze moeder.
Zoals iemand het licht aandoet voor het donker.
Ze noemden je Tomás. De mannen van de papieren. Ze sloten een deur die ze nooit hadden open gedaan.
O zee, zeg jij eens; goed, je hebt mijn broer meegenomen, maar waarom heb je zijn naam achtergelaten? Tomás bleef achter in de boeken.
Tom bleef bij mij.
Wanneer ik Tom zeg, wacht de deur nog altijd. Wanneer ik Tomás zeg, trekt de wind voorbij en wordt de thee koud.
De tafel staat nog steeds gedekt. Alleen jouw stoel heeft met de stilte leren leven.
O zee, zeg jij eens; goed, je hebt mijn broer meegenomen, maar waarom heb je zijn naam achtergelaten? Tomás bleef achter in de boeken.
Tom bleef bij mij.
Ze kwamen mij vragen: “Wat was zijn echte naam?”
Ik keek naar de kade. Geen schip keert terug als vreemden het roepen. Het keert alleen terug naar een stem die het kent.
Ik zei alleen: “Noem hem maar Tomás, maar ik wacht op Tom.”
Eb en vloed wisselen elkaar af.
Mijn moeder opent de deur, maar niemand komt nog binnen. Toch wacht ze.
Zoals de zee. Zonder vragen te stellen.
Vandaag schrijven ze Tomás waar vroeger een gezicht was.
Ik zeg Tom en het huis haalt adem.
Als de zee mij op een dag ook meeneemt, zoek dan niet naar mijn naam.
Roep mij zoals mijn moeder ons beiden vroeger riep.
De naam die thuisbleef
Een naam kan in de boeken blijven staan, terwijl een andere in huis blijft wonen. Wie iemand liefhad, roept hem bij de naam waarop hij misschien nog zou antwoorden.

La teiera
All’inizio passavo fra due mani.
Lei versava, lui univa le tazze.
Tra i loro visi saliva il mio vapore.
Sotto di me respirava il tuo calore.
Mi tenevi al caldo.
Due tazze, due mani.
Mi tenevi al caldo.
Il calore ritornava.
Poi lei versava ancora per due.
L’anello al dito, la sua tazza piena.
Lui avvicinava un poco la sedia.
Lei non beveva. Restava.
Sopra di te, tutto al suo posto.
Solo la sua tazza imparava il freddo.
Mi tenevi ancora al caldo.
Due tazze. Una fredda.
Mi tenevi ancora al caldo.
Il calore non tornava.
Una mattina portarono fiori.
Voci basse riempirono la stanza.
Lui posò una tazza sulla tavola.
Nessuno mosse l’altra sedia.
“Tolgo la teiera?”
La sua mano sul mio coperchio.
Sotto di me riaccese la fiamma.
E io sono rimasta.
Da allora nessuna mano mi solleva.
Nessuna inclina più il mio beccuccio.
Sotto il coperchio conservo ancora
un lieve profumo di pesca.
Ogni sera riaccende la tua fiamma.
Io continuo a restare.
Tu continui a scaldare.
Mi terrai sempre al caldo.
Una tazza. Una mano.
Mi terrai sempre al caldo.
Il calore sale ancora.
Non ritorna.
De theepot
In het begin ging ik van hand tot hand.
Zij schonk in, hij zette de kopjes bij elkaar.
Tussen hun gezichten steeg mijn damp op.
Onder mij ademde jouw warmte.
Je hield mij warm.
Twee kopjes, twee handen.
Je hield mij warm.
De warmte keerde terug.
Toen schonk zij nog voor twee in.
De ring om haar vinger, haar kopje vol.
Hij schoof de stoel een beetje dichterbij.
Zij dronk niet. Maar ze bleef.
Boven jou stond alles op zijn plaats.
Alleen haar kopje leerde de kou kennen.
Je hield mij nog steeds warm.
Twee kopjes. Eén koud.
Je hield mij nog steeds warm.
De warmte keerde niet terug.
Op een ochtend brachten ze bloemen.
Gedempte stemmen vulden de kamer.
Hij zette één kopje op tafel.
Niemand verplaatste de andere stoel.
“Zal ik de theepot weghalen?”
Hij legde zijn hand op mijn deksel.
Onder mij stak hij de vlam weer aan.
En ik ben gebleven.
Sindsdien tilt geen hand mij meer op.
Niemand kantelt nog mijn tuit.
Onder mijn deksel bewaar ik nog altijd
een lichte geur van perzik.
Iedere avond steekt hij jouw vlam weer aan.
Ik blijf hier staan.
Jij blijft mij verwarmen.
Je zult mij altijd warmhouden.
Eén kopje. Eén hand.
Je zult mij altijd warmhouden.
De warmte stijgt nog steeds op.
Zij keert niet terug.
Over de doden…
Wie een dode laat spreken, hoort uiteindelijk zijn eigen herinneringen. Liefde kan blijven verwarmen, ook wanneer zij niet meer wordt beantwoord.

Kloppen
Ik liep langs velden, leeg en stil,
de wind trok door mijn jas.
Mijn maag was hol, mijn hart nog meer,
ik wist niet wat het was.
Er klopte iets, ik hoorde het,
al dagen, stap voor stap.
Ik keek steeds om,
maar vond alleen mijn schaduw op het pad.
Er klopt iets aan mijn deur.
Ik hoor het keer op keer.
Ik houd de klink nog vast,
maar sluit hem nooit meer.
Een boer gaf brood, een stoel, een vuur,
een tafel vol verdriet.
Ik schilderde hun zwijgende leven,
maar mezelf nog niet.
Mijn hand bleef staan, mijn hart bleef stil,
de laatste streek deed pijn.
Hoe maak je iets voorgoed van jou,
als al je dromen leen zijn?
Er klopt iets aan mijn deur.
Ik hoor het keer op keer.
Ik houd de klink nog vast,
maar sluit hem nooit meer.
Een vreemde zei: “Je stopt te vroeg.”
Ik schreeuwde dat hij loog.
Maar ergens wist ik al die tijd,
hij keek dwars door mijn oog.
Hij was al weg. Het vuur werd as.
De kamer werd weer klein.
Alleen het kloppen bleef bestaan,
alsof het míj moest zijn.
Is Theo daar? Mijn vader?
Wie wacht daar in de nacht?
Of ben ik zelf al jarenlang
degene die daar wacht?
Er klopt iets aan mijn deur.
Ik doe hem op een kier.
Wie jij ook bent, kom binnen.
Ik zoek niet langer meer.
Ik doop mijn penseel diep in zwart.
Het licht breekt langzaam door.
Daar ben je.
Blijf.
Ik sluit de deur niet meer.
Knocking
I walked through empty, silent fields,
the wind cut through my coat.
My stomach hollow, my heart more so,
with something I could not name.
Something was knocking, I could hear it,
day after day, step after step.
I kept looking back,
but found only my shadow on the path.
Something is knocking at my door.
I hear it time and again.
I still hold the handle,
but I will never close it again.
A farmer gave me bread, a chair, a fire,
a table laid with sorrow.
I painted their unspoken lives,
but had not painted myself.
My hand stopped moving, my heart fell still,
the final stroke brought pain.
How can you make something truly yours
when all your dreams are borrowed?
Something is knocking at my door.
I hear it time and again.
I still hold the handle,
but I will never close it again.
A stranger said, ‘You always stop too soon.’
I shouted that he lied.
Yet somewhere I had always known:
he saw straight through my gaze.
He had already gone. The fire turned to ash.
The room grew small again.
Only the knocking remained,
as though it had always been me.
Is Theo there? My father?
Who is waiting in the night?
Or have I been the one outside,
waiting all these years?
Something is knocking at my door.
I open it a crack.
Whoever you may be, come in.
I will search no more.
I dip my brush deep into black.
Slowly, the light breaks through.
There you are.
Stay.
I will not close the door again.
Wie klopt er aan de deur?
Een creatieveling kan lang zoeken naar een eigen stijl, terwijl die al die tijd al aan de deur stond te kloppen. Je hoeft hem alleen maar binnen te laten.

Como entonces
Todo sigue como entonces:
la silla vuelta hacia el cristal,
un libro abierto por la mitad,
la tarde quieta entre sus páginas.
Aquí aprendí a hablar contigo
sin tenerte delante.
Tú escribías «perdón» en una carta,
yo respondía sin tocar el papel.
No puedo seguir cargando
con todo lo que tú callas.
Bastante pesa su ausencia
cuando amanece en la casa.
No he cambiado de sitio sus lápices
ni el vaso que dejó junto a la puerta.
Mover las cosas habría sido admitir
que ella ya no iba a moverlas.
Durante años ocupaste esa silla
sin entrar jamás.
Te dije cuanto quise decirte.
También aquello que no era verdad.
No puedo cargar también
con tu culpa.
Cuánto pesa una ausencia
en este cuarto intacto.
Hoy abrí la puerta.
Te dejé llegar hasta aquí.
No hace falta que repitas la carta.
Tu «perdón» me lo sé de memoria.
Te quedas al otro lado,
donde termina el pasillo
y aún no termina
el día en que se fue.
Traigo una piedra blanca.
No trae maná escondido
ni lleva un nombre nuevo.
Es blanca.
No sé si basta.
Hoy te dejo
lo que te pertenece.
Pongo la piedra en tu mano.
Cierro tus dedos despacio.
Tú permaneces en el umbral.
Retiro la mía.
Por primera vez,
está vacía.
Zoals toen
Alles is nog zoals toen:
de stoel naar het raam gedraaid,
een boek halfopen,
de stille middag tussen de bladzijden.
Hier heb ik met jou leren praten
zonder dat je tegenover me zat.
Jij schreef ‘het spijt me’ in een brief,
ik antwoordde zonder het papier aan te raken.
Ik kan niet langer blijven dragen
wat jij allemaal verzwijgt.
Haar afwezigheid weegt al zwaar genoeg
wanneer die in huis ontwaakt.
Ik heb haar potloden niet verplaatst,
ook haar drinkglas staat nog bij de deur.
Iets verplaatsen zou betekenen
dat ik moet toegeven: zij komt niet meer terug.
Jarenlang zat jij op die stoel
zonder dat je ooit binnenkwam.
Ik heb je alles al gezegd wat ik je wilde zeggen.
Ook wat ik mezelf had wijsgemaakt.
Ik kan niet ook nog
jouw schuld dragen.
Wat weegt haar afwezigheid zwaar
in deze onaangeroerde kamer.
Vandaag heb ik de deur geopend.
Ik heb je tot hier laten komen.
Je hoeft de brief niet te herhalen:
je ‘het spijt me’ ken ik uit mijn hoofd.
Verder dan de drempel kom je niet,
daar eindigt de gang
maar de dag waarop zij is heengegaan,
is nog altijd niet ten einde.
Ik heb een witte steen voor je.
Er zit geen hemelse spijs in
en er staat geen nieuwe naam op.
Hij is wit, maar spreekt je niet vrij.
Ik weet niet of het genoeg is voor me.
Vandaag krijg je
wat je toebehoort.
Ik leg de witte steen in je hand
en omsluit hem langzaam met je vingers.
Jij blijft op de drempel.
Ik trek mijn hand terug.
Voor het eerst
is mijn hand leeg.
Wat jou toebehoort
Berouw maakt niets ongedaan. Vergeving wordt pas denkbaar wanneer het schuldgevoel van hand wisselt.

Ruis tussen de regels
Ik hoorde een stem
die sprak over een brief.
Een andere wachtte
voor een deur die nooit sloot.
Ik hoorde een naam
die niet meer paste.
Een leeg blad.
Een spiegel.
Een jas
die bleef ruiken naar thuis.
Verlies. Schaamte. Waarheid. Herinnering.
Alles leek te passen.
Maar telkens bleef er
ruis tussen de regels.
Dus luisterde ik opnieuw.
Nog ’n keer. Nog ’n keer.
Ik hoorde de woorden.
Ik hoorde de stiltes.
Ik hoorde zelfs wat niemand zei.
Verlies. Schaamte. Waarheid. Herinnering.
Alles leek te passen.
Maar telkens bleef er
ruis tussen de regels.
Die brief had de mijne kunnen zijn.
Die deur had de mijne kunnen zijn.
Die schilder die zocht zoals ik zoek.
Mijn lege schrift weet meer dan ik.
Mijn spiegel kijkt langer dan ik.
Ik hoorde dat ze al die tijd
juist míj bezongen.
Verlies. Schaamte. Waarheid. Herinnering.
Alles leek nu op z’n plek te vallen.
Want al die ruis… was ik.
Nog één keer
begon ik weer bij het eerste lied.
En nog ’n keer.
En nog ’n keer.
Static between the lines
I heard a voice
speaking about a letter.
Another waited
outside a door that never closed.
I heard a name
that no longer fit.
A blank page.
A mirror.
A coat
that still smelled of home.
Loss. Shame. Truth. Memory.
Everything seemed to fit.
Yet every time, there was
static between the lines.
So I listened again.
One more time. One more time.
I heard the words.
I heard the silences.
I even heard what no one said.
Loss. Shame. Truth. Memory.
Everything seemed to fit.
Yet every time,
there was static between the lines.
That letter could have been mine.
That door could have been mine.
That painter was searching as I search.
My empty notebook knows more than I do.
My mirror keeps looking long after I look away.
I heard that all along,
they had been singing about me.
Loss. Shame. Truth. Memory.
Now everything seemed to fall into place.
Because all that static… was me.
One more time,
I went back to the very first song.
And listened again.
And again.
Lezen en luisteren tussen de regels
Wie luistert, hoort nooit alleen het verhaal van een ander. Soms begrijp je dan precies dat deel van jezelf dat in andermans woorden begint mee te spreken.