Tijdens het schrijven weten we soms precies wat er is gebeurd. Toch schrijven we het niet op.
Dat gebeurde ook in deze scène uit Over de grenzen van de waarheid:
Hij legt zijn hand op het schrift.
“Je hebt hem al die tijd gehouden, maar je kijkt ernaar alsof je niet weet wat het is.”
Dan noemt hij een naam die hij niet had mogen zeggen.
“Fennie.”
Zij verstijft. Later loopt ze weg.
Waarom maakt die naam zoveel los? Dat wisten wij. Daar hoefden we nauwelijks over te praten. De vraag was hoeveel de lezer op dat moment moest weten.
Wie dit losse fragment leest, mist een groot deel van de context. In het volledige verhaal staan meer aanwijzingen. Daarmee kan de lezer zelf een verband leggen.
Tijdens onze leesrondes letten we daarom goed op woorden als ‘alsof’. Zo’n woord kan precies goed staan. Maar het kan ook betekenen dat we onze eigen scène alsnog aan het uitleggen zijn.
Dan vragen we elkaar: heeft de lezer deze zin nodig?
In ‘Ruis tussen de regels’ staat:
“Ik hoorde zelfs wat niemand zei.”
Dat is voor ons de kern. De lezer hoeft niet zonder aanwijzingen te raden. Hij moet wel de kans krijgen om te zien wat al tussen de woorden aanwezig is.
Rens en Edith

No responses yet